Het is altijd even schrikken als ’s avonds de bel gaat zeker als het al half twaalf is.
Aan het geluid kan ik horen dat het de bovenbel is die klinkt een beetje schor.
Kaya springt overeind en rent blaffend naar de deur.
Nu hebben allebei mijn zoons een sleutel dus die zijn het niet en als ze zo laat komen
om iets af te geven of op te halen, sturen ze van tevoren een sms-je.
De buurvrouw met wie ik heb afgesproken dat ze altijd mag bellen als er iets is, is een stuk kleiner dan de gestalte die ik door het met gekleurde folie beplakte raampje zie staan.
Als ik de deur open doe staat Kaya gelijk naast een blonde jongeman die verschrikt een stapje opzij doet.
Met overslaande stem zegt hij: “U kent me toch, ik zie u wel lopen met de hond,
ik woon hier ook”.
En ja ik ken hem. Ik zie aan zijn gezicht dat hij het moeilijk heeft, grote ogen in een bleek en mager gezicht, zijn mond enigszins vertrokken. Hij kan niet stil staan en wipt van de ene voet op de andere.
“Ik heb geld nodig, heeft u een tientje?”
Zo rustig mogelijk leg ik hem uit dat ik nooit cash geld in huis heb.
“Ook niet een paar losse euro’s?”
Ik antwoord ontkennend, waarna hij met grote stappen richting trappenhuis verdwijnt.
Van andere bewoners had ik al gehoord dat, als hij weer eens in de problemen zit, hij vaker ergens aanbelt en ook dat er meerderen zijn die hem uit medelijden wat geld lenen. Teruggeven gebeurt niet, ook al belooft hij dat de volgende dag toch echt te zullen doen.
Ik heb er slecht van geslapen en ben erg blij dat mijn zoons de verleiding om aan de drugs te gaan altijd hebben kunnen weerstaan.
